VLIR-UOS
VLIR-UOS Institutional University Cooperation Website
VLIR-UOS Scholarships website
  NL - EN

AKKOORD TUSSEN MINISTER MICHEL
EN DE UNIVERSITAIRE KOEPELORGANISATIES VLIR EN CIUF
OVER DE HERVORMING VAN DE
UNIVERSITAIRE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Op 22 april 2010 ondertekenden de minister van Ontwikkelingssamenwerking Charles Michel en vertegenwoordigers van de universitaire koepelorganisaties VLIR-UOS en CIUF-CUD een akkoord over de  hervorming van de universitaire ontwikkelingssamenwerking in het kader van hun zuidactiviteiten. De belangrijkste vernieuwingen zijn de geografische concentratie en de invoering van zesjarenprogramma’s.

Het gezamenlijke persbericht

Het ondertekende akkoord

Veelgestelde vragen over het akkoord

 

Waarop heeft het akkoord betrekking?
Het akkoord gaat enkel over de Zuidprogramma’s van VLIR-UOS. Over het beleid omtrent Beurzen en  de Noordwerking zullen VLIR-UOS, de Franstalige zusterorganisatie CUD en de minister bijkomende nota’s uitwerken. De teksten zullen de basis vormen van een nieuwe kaderovereenkomst tussen de federale overheid, de VLIR en CIUF.

 

Wat zijn de belangrijkste vernieuwingen van het akkoord?
De belangrijkste vernieuwingen zijn de zesjarenprogramma’s en de geografische concentratie.

  1. Zesjarenprogramma’s: terwijl VLIR-UOS vandaag werkt met jaarprogramma’s die kaderen binnen een vijfjarenprogramma, zullen we vanaf 2013 starten met een strategisch zesjarenprogramma dat is onderverdeeld in twee actieplannen van drie jaar. Terwijl we nu jaarlijks een budget laten goedkeuren door de overheid zal die vanaf 2013 het budget waarborgen voor drie jaar.
  2. Geografische concentratie: vanaf 2013 wordt de landenlijst van VLIR-UOS beperkt tot 20 partnerlanden, ten opzichte van 41 op dit moment. Voor elk partnerland zal VLIR-UOS een landenstrategie uitwerken die uitgaat van de rol van de universiteit(en) in de ontwikkeling van het land of de regio. VLIR-UOS engageert zich tevens om
    • tegen 2016 70% van de middelen van de Zuidprogramma’s aan te wenden voor universitaire ontwikkelingssamenwerking binnen de partnerlanden van de Belgische bilaterale samenwerking;
    • in minimum zeven gezamenlijke landen als de Franstalige zusterorganisatie CUD een landenstrategie te ontwikkelen.
    Er is echter een vrije marge voorzien van 6% voor samenwerking die niet gebonden is aan de lijst van 20 partnerlanden.
 

Wanneer treden de vernieuwingen van het akkoord in werking?
Het akkoord zal effectief in werking treden in 2013, met de start van het zesjarenprogramma. De voorbereidingen zullen echter al in 2011 starten.

 

Wat wint VLIR-UOS met het akkoord?

  1. Met het akkoord bevestigt de minister het belang en de eigenheid van de universitaire ontwikkelingssamenwerking voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking en engageert hij zich om deze vorm van ontwikkelingssamenwerking ook de komende jaren te blijven steunen. 
  2. De autonomie van VLIR-UOS verhoogt om binnen het kader van het zesjarenprogramma en de driejaarlijkse actieplannen beslissingen te nemen over de uitvoering van de programma’s. Momenteel is VLIR-UOS immers sterk afhankelijk van DGOS voor beslissingen over de uitvoering. 
  3. De vrije marge in het akkoord biedt VLIR-UOS de mogelijkheid om in te spelen op innovatieve of relevante initiatieven op het vlak van universitaire ontwikkelingssamenwerking, zonder gebonden te zijn aan de geografische beperkingen van de landenlijst van 20. 
  4. De minister engageert zich om voor het eerste driejarig actieplan een jaarlijkse budgettaire stijging te voorzien van minimum 3 %.
  5. VLIR-UOS gelooft dat samenwerking vanuit een landenstrategie de ontwikkelingsimpact van universitaire ontwikkelingssamenwerking sterk ten goede kan komen.
 

Wat winnen de Vlaamse universiteiten/hogescholen met het akkoord?

  1. Met het akkoord erkent de minister het belang van Vlaamse universiteiten voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking en de specifieke rol die zij daarin spelen. 
  2. De universiteiten kunnen bijdragen tot de totstandkoming van de Indicatieve Samenwerkingsprogramma’s met de partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. De minister zal daarbij rekening houden met de standpunten van de universiteiten.
  3. Met dit akkoord beogen we een grotere effectiviteit en impact van de universitaire ontwikkelingssamenwerking. Hieraan hangt ook een grotere visibiliteit van de resultaten vast, waarbij we de inzet van betrokken professoren willen tonen.
  4. De invoering van zesjarenprogramma’s biedt langetermijngaranties voor universitaire ontwikkelingssamenwerking.  
 

Wat winnen de universiteiten in het Zuiden met het akkoord?

  1. De ontwikkelingsprioriteiten van de lokale universiteiten zullen, meer nog dan nu het geval is, de basis vormen voor samenwerking. 
  2. De lokale universiteit krijgt een grotere erkenning als belangrijke ontwikkelingsspeler door de landenstrategie en de participatie van de lokale universiteit bij de totstandkoming ervan. 
  3. De impact van de universitaire ontwikkelingssamenwerking voor de regionale of nationale ontwikkeling van een partnerland kan sterk vergroten door te werken met een landenstrategie.    
  4. De overgang van jaarlijkse naar driejaarlijkse begrotingen biedt meer financiële zekerheid voor de universiteiten in het Zuiden. Ook de invoering van zesjarenprogramma’s biedt langetermijngaranties.
 

Wie kiest de 20 partnerlanden en hoe gebeurt dit?
Het Bureau voor Universitaire Ontwikkelingssamenwerking werkt een mechanisme uit dat bepaalt welke landen thuishoren in de landenlijst. Het moet gaan om een dynamisch systeem dat rekening houdt met veranderende omstandigheden en beleidsprioriteiten, zonder daarbij de continuïteit van lopende projecten in gevaar te brengen. Het Bureau UOS zal een voorstel van partnerlanden uitwerken en voorleggen aan de overheid.
De volgende criteria zijn van belang in de keuze van partnerlanden:

  1. Antecedenten van samenwerking:
    Het moet gaan om landen waarmee de Vlaamse universiteiten en hogescholen reeds een samenwerking hebben opgebouwd, zodat er voldoende sociaal kapitaal beschikbaar is om verdere samenwerking te laten renderen.
    Om de antecedenten in kaart te brengen maakt VLIR-UOS gebruik van de database van projecten en heeft het een bevraging georganiseerd bij de Vlaamse universiteiten en hogescholen om inzicht te krijgen in de geografische prioriteiten van elke instelling.
  2. Synergie met de Belgische bilaterale samenwerking en CUD
    De landenlijst dient aan te sluiten bij de prioriteiten van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. VLIR-UOS engageert zich om tegen 2016 70% van de middelen van de Zuidprogramma’s aan te wenden voor universitaire ontwikkelingssamenwerking binnen de partnerlanden van de Belgische bilaterale samenwerking; in minimum zeven gezamenlijke landen als de Franstalige zusterorganisatie CUD een landenstrategie te ontwikkelen.
  3. Objectieve landencriteria
    Bij de landenkeuze houden we rekening met indicatoren die enerzijds peilen naar de algemene ontwikkeling van het land en anderzijds de toestand van het (hoger) onderwijs. De mate waarin een land al dan niet goed scoort op een bepaald criterium zal mede een invloed hebben op de wijze van samenwerking. Momenteel onderzoekt VLIR-UOS hoe de verschillende criteria ten opzichte van elkaar gewogen kunnen worden.
 

Wat gebeurt er met de samenwerking met partners uit een land dat niet behoort tot de 20 partnerlanden?
Als het gaat om een partnerschap waarbij engagementen zijn aangegaan voor samenwerking tot na 2013, dan zal er een exit scenario worden ontwikkeld dat rekening houdt met de oorspronkelijke engagementen en de tijd die nodig is om de gecontracteerde doelstellingen te realiseren en de resultaten van tussentijdse evaluaties. Hetzelfde geldt wanneer er na 2013 wijzigingen zouden optreden in de landenlijst.
Wanneer geen engagementen zijn aangegaan voor samenwerking tot na 2013, dan zal VLIR-UOS de samenwerking niet verder kunnen financieren, tenzij er sprake is van regionale samenwerking met een partnerland of de samenwerking past binnen de vrije marge.

 


Bestaat er vanaf 2013 geen enkele mogelijkheid meer om een samenwerking te financieren via VLIR-UOS met een land dat niet tot de 20 partnerlanden behoort?
Hieronder lijsten we een aantal uitzonderingen op die samenwerking met een land dat niet tot de landenlijst behoort mogelijk maakt:

  1. In het akkoord is de mogelijkheid voorzien om een regionaal perspectief te hanteren. Zuid-zuid- of regionale samenwerking blijven mogelijk wanneer een partner die behoort tot de lijst van 20 een trekkersrol opneemt.
  2. De vrije marge biedt de mogelijkheid voor samenwerking met een land dat niet tot de 20 behoort.
  3. Er kan sprake zijn van een exit scenario wanneer engagementen voor samenwerking tot na 2013 eerder al zijn gemaakt of wanneer de lijst van partnerlanden wijzigt.
 

Wat betekent de vrije marge precies en waarvoor kan deze worden gebruikt?
De overheid laat een vrije marge toe van 6% van het Zuidbudget van VLIR-UOS voor eigen voorstellen.  Hiermee kan VLIR-UOS inspelen op relevante creatieve initiatieven en opportuniteiten voor universitaire ontwikkelingssamenwerking. Het percentage van 6% kan vanaf 2016 worden gewijzigd, op basis van een globale evaluatie van de vernieuwingen in 2015.
De initiatieven binnen de vrije marge kunnen zowel in één van de 20 partnerlanden plaatsvinden of daarbuiten. Ze moeten zich onderscheiden op het vlak van excellentie of innovatie, én voldoen aan alle kwaliteitsnormen die gelden voor UOS-initiatieven op het vlak van kwaliteit, ontwikkelingsrelevantie, haalbaarheid, doelgerichtheid en duurzaamheid.
VLIR-UOS zal nog een voorstel uitwerken voor de concrete aanwending van de vrije marge.

 

Betekent het systeem van driejaarlijkse actieplannen dat VLIR-UOS nog maar om de drie jaar oproepen zal lanceren?
Het feit dat 85% van het budget voor het driejarig actieplan al moet zijn ingevuld bij indiening, maakt dat er in de meeste gevallen slechts om de drie jaar een oproep zal verschijnen. Voor de resterende 15%, waaronder de 6% vrije marge, bestaat de mogelijkheid om tijdens de looptijd van het actieplan nog oproepen te lanceren. VLIR-UOS zal hierover nog een voorstel uitwerken.

 

Zullen de huidige programma’s blijven bestaan na 2013?
Op basis van het voorliggend akkoord en de komende akkoorden voor de Noordwerking en het Beurzenprogramma zal VLIR-UOS een voorstel uitwerken dat tegemoet komt aan de nieuwe richtlijnen. De kans dat er wijzigingen zullen zijn in het aantal en het soort programma’s is reëel. Mogelijk zullen we een aantal samenwerkingsvormen integreren binnen nieuwe programma’s. Bij de hervormingen zullen we zoveel mogelijk rekening houden met de huidige gebruikers en al het mogelijke doen om de overgang zo vlot mogelijk te laten verlopen.




DOWNLOADS: