Akkoord toekomst Belgische ontwikkelingssamenwerking: effecten voor VLIR-UOS

 

Na maanden van onderhandelingen is er een akkoord bereikt tussen minister Alexander De Croo en de Belgische niet-gouvernementele ontwikkelingssamenwerkingsactoren, waartoe ook VLIR-UOS behoort. Het uitgangspunt is: vanaf 2017 meer onderlinge samenwerking en gemeenschappelijke strategische kaders in een beperkt aantal landen.

 

Ethiopia event 5 November 2014 2De Actoren van de Niet-Gouvernementele Samenwerking (ANGS) en federaal minister van ontwikkelingssamenwerking, Alexander De Croo, hebben in september 2015 een akkoord bereikt over de voorwaarden voor financiering van ontwikkelingssamenwerking vanaf 2017. Het kadert in de ambitie van de minister om alle actoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking meer en beter te laten samenwerken, en hun onderlinge coherentie, complementariteit en synergie te verhogen, om zo optimale impact te genereren.

 

Met dit akkoord sluit België aan bij de huidige internationale trend in ontwikkelingssamenwerking van verhoogde concentratie, resultaatsgerichtheid en impact. VLIR-UOS heeft de ambitie om, vertrekkend van dit uitgangspunt, de universitaire ontwikkelingssamenwerking de komende jaren verder te versterken.

 

Welke actoren zijn betrokken?

Het gaat om de niet-gouvernementele actoren die financiering ontvangen vanuit het federale budget voor ontwikkelingssamenwerking, zoals NGO’s, vakbonden, migrantenorganisaties, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, de onderwijsactoren VVOB en APEFE, de verenigingen voor steden en gemeenten, en de Vlaamse en Franstalige universitaire koepelorganisaties VLIR-UOS en ARES-CCD.

 

Wat verandert er?

  • De landenlijst voor samenwerking vanaf 2017
  • De samenwerkingsvorm: afgestemd per land, onder Belgische actoren, op basis van gedeelde strategieën
  • Vijfjarenplannen met financiële zekerheid voor vijf jaar
  • Administratieve vereenvoudiging
  • Mogelijke besparingen op het budget

 

Wat blijft behouden?

  • Het vrij initiatiefrecht van de Vlaamse universiteiten en hogescholen om zelf partners te kiezen en eigen projectvoorstellen te formuleren, te selecteren en te implementeren.

 

Is het een goed akkoord?

Paul Janssen, voorzitter van het Bureau UOS, vindt dit akkoord een aanvaardbaar en werkbaar compromis: ‘De voorbije drie jaren hebben we immers heel wat dreigingen moeten afwenden, van usurperende bevoegdheden tot zware besparingen. Ook nu stond bij aanvang van de onderhandelingen veel op het spel. We hebben maandenlang gestreden om garantie te krijgen dat we in de toekomst zouden kunnen blijven samenwerken met onze belangrijkste partnerlanden en vanuit een vrij initiatiefrecht voor de Vlaamse universiteiten en hogescholen. Dat is gelukt. De specificiteit en meerwaarde van ontwikkelingssamenwerking van het hoger onderwijs worden erkend. De aangekondigde besparing blijft evenwel een aandachtspunt.

 

De universitaire ontwikkelingssamenwerking zal zich inbedden binnen de nieuwe krijtlijnen, waarbij de creatie van multi-actorenprojecten een boeiende uitdaging wordt. Een dergelijke hervorming vergt een mentaliteitswijziging, en dus tijd. De overheid is zich hiervan bewust, en beschouwt dan ook de eerste vijfjarenperiode als een pilootfase. Pas vanaf 2022 zullen de nieuwe samenwerkingsmodaliteiten duidelijk zijn, want uitgetest en aangepast waar nodig.’

 

Overzicht van wat er zal veranderen

Een nieuwe landenlijst vanaf 2017

Vanaf 2017 mogen de Belgische niet-gouvernementele ontwikkelingsactoren (ANGS) nog actief zijn in de 14 partnerlanden van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking en België, en in 17 bijkomende landen, inclusief het thema ‘waardig werk’.

 

Bilaterale partnerlanden (14 + 1)

  1. België
  2. Benin
  3. Burkina Faso
  4. Burundi
  5. DR Congo
  6. Guinee
  7. Mali
  8. Marokko
  9. Mozambique
  10. Niger
  11. Palestina
  12. Rwanda
  13. Senegal
  14. Tanzania
  15. Uganda

 

ANGS-landen / Gemeenschappelijke Strategische Kaders (18)

  1. Waardig werk
  2. Bolivia
  3. Cambodja
  4. Cuba
  5. Ecuador
  6. Ethiopië
  7. Filipijnen
  8. Guatemala
  9. Haïti
  10. Indonesië
  11. Kameroen
  12. Kenia
  13. Madagascar
  14. Nicaragua
  15. Peru
  16. Vietnam
  17. Zimbabwe
  18. Zuid-Afrika

 

Welke landenlijst zal VLIR-UOS vanaf 2017 hanteren?

Het Bureau UOS zal tegen eind 2015 een keuze maken met welke landen uit de bovenstaande lijst VLIR-UOS in de toekomst zal verder werken. Bedoeling is dat minstens de landen waarvoor VLIR-UOS reeds een landenstrategie heeft uitgewerkt, worden behouden. Dat zijn: DR Congo, Burundi, Ethiopië, Uganda, Tanzania, Zuid-Afrika, Mozambique, Kenya, Marokko, Cuba, Suriname, India, Bolivia, Ecuador, Peru en Vietnam.

 

Is samenwerking met landen die niet op de lijst staan nog mogelijk?

In beperkte mate is samenwerking mogelijk met landen die niet op deze landenlijst staan. Alle ANGS samen moeten 90% van hun budget omzetten in de bovenstaande lijst van landen/thema’s. Voor elke individuele organisatie, zoals VLIR-UOS, is dat minimaal 75%.

De resterende 10% kan in principe aangewend worden voor projecten in de ruimere OESO-DAC-landenlijst. De wijze van goedkeuring door de overheid van projecten binnen de 10% zal echter aanzienlijk zwaarder zijn. Het komt aan het Bureau UOS toe om te beslissen hoe hiermee om te gaan.

 

De samenwerkingsvorm: meer afgestemd op de andere Belgische actoren

De projecten zullen voortaan tot stand komen via structureel overleg per land onder Belgische actoren en hun partners in het specifieke land. Op die manier wordt de coherentie tussen individuele projecten geoptimaliseerd, want gestoeld op een gedeelde strategie. Via landenplatformen zullen de actoren gemakkelijker informatie en ervaringen kunnen uitwisselen en samenwerking aangaan.

 

De ANGS zullen voor de 32 landen (inclusief België) en voor het thema “Waardig Werk” een Gemeenschappelijk Strategisch Kader (GSK) uitwerken. Een GSK omvat een contextanalyse en een beschrijving van wat concreet per land zal gebeuren, individueel per actor, én gezamenlijk, met elk een verantwoording voor de respectieve vorm van uitvoering. Op basis van dit kader zal dan de politieke dialoog met de overheid plaatsvinden.

 

Voor de periode 2017-2021 staat de overheid maximum 33 Gemeenschappelijke Strategische Kaders toe; nadien slechts 30. 

 

Waardig Werk is als enig thema opgenomen in de lijst van GSK’s. Dit is een thema waarrond vooral vakbonden actief zullen zijn.

 

Zowel voor de Zuidprojecten als voor de interventietypes in België, zal de inpassing in de gedeelde strategie per land, evenals de linken tussen Noord- en Zuidacties, een belangrijk criterium zijn bij selectie en evaluatie.

 

Vijfjarenplannen met financiële zekerheid voor vijf jaar

Tot dusver werkte VLIR-UOS op basis van jaarfinanciering en jaarprogramma’s. Het feit dat we nu voortaan vijf jaar vooruit moeten plannen, zal de wijze van werken veranderen:

 

  • Uiterlijk begin 2016 zullen we voor de meeste interventietypes oproepen lanceren, zodat we tegen midden 2016 het merendeel van de nieuwe projecten voor de vijfjarenperiode 2017-2021 kunnen selecteren en vastleggen. Vijf jaar vooruit plannen is niet evident, maar eenmaal goedgekeurd biedt dergelijke manier van werken financiële zekerheid voor vijf jaar.
  • Per land zal een budget bepaald worden, verdeeld over de vijf budgetjaren. De meeste oproepen zullen gebaseerd zijn op de respectieve VLIR-UOS-landenstrategie en het GSK van de ANGS.
  • Tijdens de looptijd van het vijfjarenprogramma zullen we ook nog nieuwe oproepen lanceren. Hiermee willen we tegemoet komen aan de academische dynamiek en de wissels van PhD-generaties.

 

VLIR-UOS zal midden 2016 een vijfjarenprogramma (2017-2021) indienen bij de federale administratie Ontwikkelingssamenwerking (DGD). Daarin zullen we per land een overzicht geven van de uit te voeren projecten en beurzen (indicatief) voor de betreffende periode. De lopende Institutionele Universitaire Samenwerkingsprogramma’s (IUS) zullen we daarin opnemen. De lopende TEAM-projecten kunnen worden afgerond zoals gepland.

 

Administratieve vereenvoudiging

Om in aanmerking te komen voor overheidsfinanciering vanaf 2017 moeten alle ANGS, en dus ook VLIR-UOS, tegen eind 2015 een screening ondergaan. DGD zal het beheerssysteem vanaf 2017 flexibeler maken en de administratie vereenvoudigen. De focus zal worden gelegd op risicobeheer en resultaatsrapportering, eerder dan op activiteitenrapportering.

 

Mogelijke besparingen op het budget

In ruil voor deze ingrijpende hervorming, is minister De Croo bereid gevonden om de aanvankelijke besparing van 21% te beperken tot 8.5% voor de indirecte samenwerking. Uiteraard is dit onderhevig aan de algemene federale begrotingsconjunctuur, maar de minister is in ieder geval van plan om ons budget hard te verdedigen. Als gekozen zou worden voor een lineaire besparing verdeeld over alle actoren, zou dat voor VLIR-UOS een besparing betekenen van ongeveer 2 miljoen EUR per jaar.

Facebook Twitter Google+ Pinterest LinkedIn

De Belgische ontwikkelingssamenwerking